Stichting de Witte Roos
Oude Delft 73
2611 BC Delft
T 015-2566333
E info@witteroos.nl

Bouwhistorie

Op de plaats van het huidige pand heeft in de middeleeuwen een huis gestaan dat - zoals zo veel gebouwen in Delft - bij de grote brand van 1536 in vlammen is opgegaan. Na de grote brand werd op het leeggekomen perceel na korte tijd weer een huis gebouwd. Daarbij werden waarschijnlijk ook oudere bouwonderdelen gebruikt, zoals kruiskozijnen en balken. De zijmuren en samengestelde balklagen van het huidige huis dateren uit deze periode van herbouw. Het toen opgetrokken huis moet er uitgezien hebben als een traditioneel Hollands huis, met bijvoorbeeld een trapgevel van roodkleurige baksteen en een pannendak haaks op de gracht . Er zullen kleine vensters zijn geweest met luiken, houten vloeren die op moer- en kinderbinten rusten, houten spiltrappen, en open stookplaatsen met tegelwerken. De vloeren lagen op kinderbintjes, die op hun beurt werden ondersteund door moerbinten. Onder de moerbinten, ter plaatse van de zijmuren, bevonden zich natuurstenen consoles. Hoe dergelijke consoles er uit zagen werd zichtbaar bij de restauratie van de voorkamer op de begane grond van het voorhuis. De in de kamer uitkragende consoles bleken te zijn afgehakt in de 18e eeuw terwille van een in de mode van die tijd passende strakkere wandafwerking. Hun constructieve ondersteuningsfunctie was kennelijk zo beperkt dat dit de veiligheid niet in gevaar bracht.

Oudste delen

Direct na de grote brand werd begonnen met de bouw van een huis aan de Oude Delft op de plek waar voor de brand waarschijnlijk ook een huis had gestaan.Oorspronkelijk liep links naast het huis waarschijnlijk een afwateringssloot of greppel met daarnaast een pad. Het achtererf liep door tot aan de stadswallen en hier bevond zich waarschijnlijk een mouterij. Gaandeweg moet het slootje naast het huis zijn dichtgegooid en ontstond daar een steeg. De keuken werd in een apart huisje een eind achter het woonhuis geplaatst. De keuken naast de huidige (in vergelijking met vroeger dus kleinere) binnenplaats is in de loop der tijden steeds aangepast, laatstelijk in de 19e eeuw met een kookplaats en schouw uit die tijd en een originele dubbele pomp. De pomp heeft twee kranen. Een daarvan is aangesloten op een waterput met welwater, de andere kraan op de waterkelder (cisterne) die onder de lange gang van de begane grond ligt. In de cisterne wordt regenwater verzameld.

Uitleg bij plaatje: Zicht vanaf de achtertuin. U ziet eerst de keuken, dan een open ruimte, vervolgens de achterkant van het huis. De greppel komt uit op de Oude Delft. Het was toendertijd een zandpad die in regentijd als greppel diende.

Verbreding van het voorhuis

In de 16e eeuw of in het begin van de 17e eeuw werd deze steeg bij het woonhuis ingelijfd. Het voorhuis werd toen verbreed met verdiepingen boven de steeg. De steeg kreeg een fraai beschilderd plankenplafond (vroeg 17e eeuws). Dit werd bij de restauratie aangetroffen onder het 18e eeuwse stucplafond van de hal. De beplanking is versierd met bladeren en ranken met gouden biezen.
Bij de verbreding van het voorhuis en het aanbrengen van verdiepingen boven de steeg werd de kap aan de grachtzijde gewijzigd. Op de zolder van het voorhuis werden spanten dwars op de Oude Delft geplaatst, en er kwam een nok parallel aan de gracht. De voorgevel kon daarbij een kroonlijst krijgen. Deze aanpassing lag voor de hand: er moest immers ook boven de naar links uitgebouwde verdiepingen een kap komen, en wat was er mooier en handiger dan het maken van een nieuw dak over de volle breedte van het huis?

Uitleg bij plaatje: De nieuwe nok loopt evenwijdig aan de Oude Delft. De greppel was meer bestraat en gedeeltelijk bij het huis getrokken. De keuken heeft er een achterhuis bij gekregen.

Het achterhuis

Het achterhuis, waar zich waarschijnlijk de mouterij bevond, is qua constructie nog steeds 16e eeuws, met latere houten en bespannen plafondinvullingen om en tussen de moerbinten. Dit ‘drie-vaks’ achterhuis is vanouds van het voorhuis afgescheiden door een binnenplaats. In een deel van deze vroegere binnenplaats is een keuken gebouwd, grenzend aan het oude achterhuis. De keuken werd bij verdere verbouwingen architectonisch geheel opgenomen in het (vergrootte) achterhuis.

De keuken

De keuken naast de huidige (in vergelijking met vroeger dus kleinere) binnenplaats is in de loop der tijden steeds aangepast, laatstelijk in de 19e eeuw met een kookplaats en schouw uit die tijd en een originele dubbele pomp. De pomp heeft twee kranen. Een daarvan is aangesloten op een waterput met welwater, de andere kraan op de waterkelder (cisterne) die onder de lange gang van de begane grond ligt. In de cisterne wordt regenwater verzameld.

Constructiematerialen

De achtergevel van het voorhuis aan de binnenplaats, heeft evenals de zijmuren nog gedeeltelijk 16e eeuws metselwerk. Ter hoogte van de kelder bevindt zich een origineel natuurstenen ‘bolkozijn’. Op de zolder in het achtergedeelte van het voorhuis, met de oorspronkelijke nok haaks op de gracht, staan een paar eikenhouten spanten (gezaagde ‘krommers’) uit de 17e eeuw. In een zijgevel van het voorhuis bevindt zich een eikenhouten kruiskozijn uit de herbouwperiode na de grote stadsbrand.

18e eeuw

In de 18e eeuw is het voorhuis drastisch verbouwd. De voorgevel werd opgehoogd, en daarbij kreeg het voorste stuk van het dak een aangepaste helling. Dit is goed te zien in de kapconstructie van het voorhuis. De dakspanten zijn in die tijd naar voren verlengd. De constructie van de huidige voorgevel stamt uit het laatste kwart van de 18e eeuw. Er kwamen grotere vensters, met vensterluiken, luikkasten en vensterbanken aan de binnenzijde. De vensters kregen een roedeverdeling met betrekkelijk veel kleine ruiten waardoor het licht prachtig gefilterd wordt.

De originele 18e eeuwse lijstgevel is van bijzondere kwaliteit. De lijstgevel is uitgevoerd in Lodewijk XIV-stijl. De omlijsting van de deur, het bovenlicht (de “porte dessus”) en de daarboven liggende vensters zijn eveneens in Lodewijk - XIV-stijl. Deurkalf en deur waren oorspronkelijk uitgevoerd in dezelfde stijl maar werden in de 19e eeuw vervangen door een rechte dorpel en een nieuwe deurprofilering. Bij de restauratie is het oorspronkelijke kalf teruggebracht. Onder de kroonlijst bevinden zich gesneden houten consoles, zowel boven de muurdammen als boven de vensters, eveneens in Lodewijk - XIV-stijl. De basis van de gevel wordt gevormd door een hardstenen plint met voluutvormige versieringen. De ramen hebben getoogde vensteromlijstingen. Het metselwerk is uiterst zorgvuldig uitgevoerd met een zeer dunne, messcherpe voeg .

Ook inwendig kreeg het pand in de 18e eeuw een uitmonstering volgens de mode van die tijd. Er kwam een veertig meter lange gang langs voor- en achterhuis met stucwerk over de volle lengte in Lodewijk - XIV-stijl. Er werden grenen deuren aangebracht naar de diverse vertrekken, versierd met snijwerk eveneens in de Lodewijk - XIV-stijl. Zij dateren uit het begin van de 18e eeuw.

Op de begane grond in de voorkamer bevinden zich gesneden houten Rococo plafondversieringen met beschilderde zeildoekbespanning in de velden. De houten lambrisering en raambetimmering zijn in bijpassende stijl uitgevoerd. De decoraties in de vestibule en de voorzaal lijken geïnspireerd te zijn op de stucontwerpen van de Delftse beeldhouwer-decorateur en architect Joseph Bollina. Hij was rond die tijd betrokken bij de decoraties in de zogeheten Ambonkamer van het buurpand Oude Delft 75. De schoorsteenboezem is uitgevoerd in Empire-stijl, de mantel is opgebouwd uit gemarmerd hout, in Lodewijk - XIV-stijl.

Gebruikshistorie

Oude Delft 73 werd generaties lang bewoond door burgemeesters, schepenen, predikanten, geneesheren en hoge militairen van de Artillerie- en Genieschool (welke vóór de verhuizing naar Breda was gevestigd in het buurpand Oude Delft 71). Aan het einde van de 18e eeuw was in het pand een bekende uitgeverij gevestigd: de Hollandsche Historische Courant (later de Delftsche Courant). De uitgeverij was in handen van de bewoner van Oude Delft 73, die een sleutelpositie vervulde in de ‘Bataafse Revolutie’.

Ook in de 19e en 20e eeuw was het gebouw voortdurend in gebruik als woonhuis. De bewoners vormden een kleine ‘community’ bestaande uit veelal een echtpaar, veel kinderen, vaak ook ongetrouwde familieleden en personeel voor huis en tuin, eten en drinken. In de 19e eeuw werd het trappenhuis aangepast, evenals de achterkamer op de eerste verdieping.

Tot midden 20e eeuw was er een achteruitgang naar de Westvest via een koetshuis met paardenstal. De tuin was breed, want liep door achter de tuin van het buurpand op nummer 71, waar heel lang het Delftse politiebureau was gevestigd.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw bouwde de gemeente in deze tuin een cellencomplex en brak daarvoor een Louis XIV tuinhuis af dat in verbinding stond met Oude Delft 73. Na het vertrek van de laatste bewoners verkreeg de Katholieke kerk het pand en werd het voor korte tijd gebruikt als pensionaat voor Italiaanse gastarbeiders. Daarna kocht de gemeente Oude Delft 73 en maakte er kantoor van. Hierbij werden historische elementen ernstig aangetast. Vervolgens was het pand een tijd in gebruik als ‘blijf van mijn lijf huis’. Daarbij werd het volledig uitgewoond.

Tegen het einde van de vorige eeuw werden de aanbouwsels van het politiebureau afgebroken, en kon de tuin van Oude Delft 73 weer enigszins worden vergroot. Toen werd ook een grondige restauratie van het gebouw ingezet. Het herstel ging gepaard met het toevoegen van hedendaagse elementen, zoals een overkapping van de binnenplaats en een serre en luifel van glas en metaal. Het gebouw wordt daardoor extra toekomstbestendig.
In het verleden werd steeds iets gewijzigd of toegevoegd aan het gebouw. Dat is ook nu het geval. Het uitgangspunt hierbij is “duurzaamheid”: de historie is niet alleen van waarde voor het heden, maar wellicht nog meer voor de toekomst.